Het was daar dat Marcus haar had gevonden. Hij

Posted on by

“Het was daar dat Marcus haar had gevonden. Hij hield haar voorhoofd vast toen ze tussen de planten overgaf en ondersteunde haar tijdens de wiebelige wandeling naar zijn studentenkamer die precies achter de school lag. In deze toestand kon ze niet naar huis, naar Stig Olofsson, daar waren ze het samen roerend over eens. Alleen al zo wiebelig door de stad te lopen, waar mensen haar konden zien, was ondenkbaar.

Ellen was hem zielsdankbaar en gaf de jongen, nadat ze hopelijk ongezien via de voordeur naar binnen waren gegaan, een stevige omhelzing. Marcus was altijd vriendelijk geweest, een bleke jongen met trouwe hondenogen, met wie ze drie jaar in de klas had gezeten, maar ze hadden elkaar nooit goed leren kennen. In zijn kleine kamer stond een koelkast met mineraalwater, hij depte haar voorhoofd met een handdoek, kuste haar in haar nek, en op haar mond – terwijl ze zachtjes lachte om niet ondankbaar over te komen – en begon toen de knoopjes van haar gevlekte bloes open te maken. Maar nee, dat wilde ze niet, hier kon ze niet blijven slapen, er stond maar één bed, ze zou in de stoel blijven zitten tot ze weer wat was opgeknapt, misschien heel even onder de bruine sprei slapen, maar ze wilde niet dat hij naast haar kwam liggen, of op haar, ze wilde niet, nee, ze wilde niet …

‘Ik had een vlek op mijn bloes’, zei Ellen tegen haar moeder, en een gekleurde trui leek me wel leuk voor op de foto. Die foto staat nog steeds bij haar moeder thuis, maar Ellen heeft haar exemplaar samen met de witte pet weggegooid. Op dezelfde dag dat Ellen bericht kreeg dat ze voor de studie medicijnen was aangenomen, deed ze een zwangerschapstest. Ze vertelde haar ouders niet wie de vader was, zei alleen dat het een vriendje was dat ze niet meer zag, en in alle stilte werd een abortus geregeld, voor alle zekerheid in het regionale ziekenhuis van Umeå. ‘Zodat er niet zoveel zou worden gekletst’, had Stig Olofsson gezegd.

En dat was ook niet gebeurd, denkt Ellen terwijl de koele lucht op het balkon haar doet huiveren. Er was niet veel gekletst, eigenlijk was er helemaal niet gekletst. Maar nu zou ze het misschien toch moeten vertellen.

Als ze opstaat om weer naast Björn in bed te kruipen schopt ze bij de deuropening tegen iets aan. Het is een kleine piramide van ronde steentjes. Wat gek. Wie kan die daar hebben neergelegd?

Misschien is iemand op het idee gekomen een bijzondere decoratie neer te zetten nu het hotel wordt gerenoveerd. Helemaal in stijl met het stukje roodgeverfde plafond.

Tampa, Florida, VS

17 februari 2004

In het Heilig Kerkgenootschap golden regels die wij als meisjes moesten opvolgen. Daar was niets vreemds aan, gewone afspraken, bijvoorbeeld dat we zouden worden bekeerd, als dat al niet was gebeurd, en dat we de dominee en zijn vrouw moesten gehoorzamen. We moesten ook bereid zijn te strijden voor onze zaak, als dat nodig zou zijn. En dat was ook niet moeilijk als je bedacht hoe Jezus aan het kruis had geleden en onze zonden op zich had genomen, alleen begreep ik aanvankelijk nog niet precies wat er met deze strijd werd bedoeld. We waren allemaal soldaten van God, zei de dominee, en dat klonk natuurlijk heel goed.

Het was voor mij waarschijnlijk wat makkelijker dan voor de andere meisjes te begrijpen wie de baas was en wie de beslissingen moest nemen. Ik heb het nooit moeilijk gevonden te luisteren naar iemand die het beter wist.

In onze ‘familie’ was de dominee de Vader en zijn vrouw de Moeder. Ze zei dat we haar ‘Mamma’ moesten noemen en dat ging gaandeweg steeds beter, hoewel het in het begin een beetje onwennig voelde. Wij meisjes waren de kinderen. Daar had ik geen enkel probleem mee. Ik probeerde een van de meisjes, dat onnodig veel zeurde, de Goddelijke Volgorde uit te leggen. Dat had ik nooit gedaan, zeuren bedoel ik. Ik liet haar het boek van Dee Esser zien en wees vooral naar de tekening van de Goddelijke Volgorde, waarop de Vaderparaplu de Moederparaplu leidt en beschermt, die op haar beurt weer de kinderparaplu leidt en beschermt, met boven iedereen GOD. Ze bladerde er een beetje doorheen en gaf het boek terug zonder iets te zeggen. En ik had nog wel gedacht dat ze het zou willen lenen. Daarna stopte ik het boek in mijn bureaula en liet het nooit meer aan iemand zien. De dominee nam alle beslissingen en leidde de gebeden en kerkdiensten als hij thuis was, maar hij was vaak weg voor belangrijke opdrachten. Wij meisjes waren dol op hem en maakten af en toe ruzie over wie hem zijn koffie mocht brengen en zijn werkkamer mocht schoonmaken. Soms kreeg hij bezoek van mannen in zwarte jassen die eruit zagen en hetzelfde accent hadden als de mensen in maffiafilms. Dan moesten we de koffie op een tafel in de hal zetten.”